05-07-2011 - Verhuurders van woningen krijgen meer ruimte bij vaststelling van huurprijzen, maar niet hier in Noord-Nederland

De Tweede Kamer heeft zich gebogen over het besluit van het kabinet op basis waarvan verhuurders van woningen die onder het Woningwaarderingsstelsel vallen (niet geliberaliseerde huur) meer ruimte krijgen bij de vaststelling van de huurprijzen. Het kabinet wil daarmee meer marktwerking in het huurbeleid brengen waardoor de situatie op de regionale woningmarkt een grotere rol zal gaan spelen bij de maximale huurprijs. Zelfstandige woningen die vallen onder het Woningwaarderingsstelsel krijgen in tien regio’s (van de veertig), waar de woningen de hoogste gemiddelde WOZ waarden hebben, vijftien tot vijf en twintig basispunten extra.
Geen van deze regio’s behoort overigens tot Noord-Nederland.
Door de maatregel zullen huurprijzen in “schaarstegebieden” bij nieuwe verhuur beter gaan aansluiten op wat huurders en verhuurders nu al reëel vinden.
Het kabinet hoopt daarmee ook de investeringsmogelijkheden in gebieden met een krappe woningmarkt te stimuleren, waardoor het meer loont om huizen te bouwen op die plaatsen waar de grootste schaarste is en huurders uiteindelijk uit een groter woningaanbod kunnen kiezen.
Voor zittende huurders verandert er niets. Voor hen geldt zoals afgesproken in het regeerakkoord dat de huren alleen met de inflatie meestijgen. Dit jaar is dat 1,3%.
Voor nieuwe huurovereenkomsten die na 1 juli 2011 ingaan, verandert er alleen iets als de marktsituatie dat toelaat en de aanpassingen in lijn zijn met lopende prestatieafspraken.
Volgens mededelingen van het kabinet zorgen de markt, het huurbeleid van de corporaties en de afspraken die zij met gemeenten maken, er nu al voor dat de gemiddelde feitelijke huurprijs aanzienlijk lager is dan wat de verhuurder maximaal kan vragen. Zo was in 2010 de gemiddelde huurprijs € 457 per maand terwijl de maximale huurprijs op basis van het puntenstelsel gemiddeld € 634 bedroeg. De feitelijke huur is dan gemiddeld 72% van de maximale huur.