08-02-2011 - ACTUELE KWESTIE II \"DE PERMANENT BEWOONDE RECREATIEWONING

De ministerraad heeft op 10 juli 2009 ingestemd met het wetsvoorstel ‘Vergunning onrechtmatige bewoning recreatiewoningen’. Momenteel ligt het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer. De inwerkingtreding van de wet is afhankelijk van de instemming van de Tweede en Eerste Kamer en publicatie in het Staatsblad.
Als het allemaal doorgaat worden gemeenten verplicht een vergunning te verlenen aan mensen die vóór 1 november 2003 in hun recreatiewoning zijn getrokken en daar sindsdien onafgebroken, maar onrechtmatig, hebben gewoond. U kunt na de inwerkingtreding van de wet de vergunning aanvragen bij uw gemeente.

Om in aanmerking te komen voor een vergunning moet u –ZOALS HET ER NU NAAR UITZIET- aan de volgende voorwaarden voldoen:
- u bent vóór 1 november 2003 in de recreatiewoning getrokken en u heeft er sindsdien onafgebroken gewoond, in elk geval tot 1 januari 2010;
- u was op 31 oktober 2003 meerderjarig;
- u bent vóór 1 januari 2010 niet door de gemeente op de bewoning aangeschreven via een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom of bestuursdwang, of via een (gedoog)besluit om voor bepaalde tijd van handhaving af te zien;
- de recreatiewoning moet voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit voor bestaande woonfuncties. De bewoning mag niet in strijd zijn met de milieuwetgeving (bijvoorbeeld geluid- en stankzones).
Heeft de gemeente wel vóór 1 januari 2010 over u een handhavingbesluit genomen, dan heeft u al genoeg duidelijkheid gekregen dat u niet in uw recreatiewoning mag blijven wonen, en komt u niet in aanmerking voor een vergunning.
Heeft de gemeente pas ná 1 januari 2010 zo’n besluit genomen (eventueel zelfs gevolgd door daadwerkelijke uitvoering), dan mag u toch een vergunning aanvragen die de gemeente moet verlenen.
Als u voldoet aan die voorwaarden en (na inwerkingtreding van de wet) een vergunning aanvraagt bij de gemeente moet u bewijzen dat u daadwerkelijk permanent in de recreatiewoning heeft gewoond in die periode. Kunt u dit bewijzen met de bewijsmiddelen die in artikel 3 van de wet vermeld staan, dan moet de gemeente de vergunning verlenen. Bewijsmiddelen zijn bijvoorbeeld een inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie op het adres van de recreatiewoning, een aanmerking van de recreatiewoning door de Belastingdienst als eigen woning of een ziektekostenverzekering plus inschrijving bij een huisartsenpraktijk met vermelding van het recreatiewoningadres. Beslist de gemeente niet binnen de wettelijke termijn over de vergunningaanvraag, dan is de vergunning automatisch verleend.
Als u bij de vergunningaanvraag andere bewijzen aanlevert, zoals kentekengegevens, betaling van gemeentelijke belastingen, gegevens van energie- en waterleidingbedrijven of huisvuiladministratie, dan kan de gemeente de vergunning ook verlenen (op basis van artikel 4 van het wetsvoorstel). Maar bij overschrijding van de beslistermijn door de gemeente geldt dan niet dat de vergunning automatisch wordt verleend.
Een aanvraag voor een vergunning kan binnen 2 jaar nadat de wet in werking is getreden worden ingediend. Daarna is dat niet meer mogelijk.
Als u al vóór de inwerkingtreding van de wet een gedoogbeschikking voor onbepaalde tijd van de gemeente had gekregen, dan wordt deze bij de inwerkingtreding van deze wet automatisch omgezet in een vergunning. Dit is zelfs zo als de gemeente vóór die gedoogbeschikking een handhavingbesluit had genomen. Heeft u al zo’n gedoogbeschikking, dan hoeft u niet opnieuw naar het gemeentehuis om een vergunning aan te vragen.
Maar let op: het moet allemaal nog wet worden en het kan allemaal nog veranderen!!