22-11-2011 - Bijzonder kunstzinnig ingesteld ben ik niet

Bijzonder kunstzinnig ingesteld ben ik niet. De naakte realiteit is, dat ik meestal wat allrounderig bezig ben, met een hap hier en een snap daar, als ik mijn (klein) culturele stukjes schrijf. Als de bedoelingen van de geïnterviewde in mijn lekenogen maar zo duidelijk mogelijk overkomen komen en ik kan overbrengen wat hem/haar beweegt plus een beperkt inzicht kan geven waaruit ‘s mans/vrouws kunst bestaat, vind ik mijn culturele missie in deze huis-aan-huis-krant passen. Die is nu eenmaal geen NRC of Volkskrant. En dat willen (en kunnen) we ook niet zijn. Waarvan acte.

Ik ben dus zeker geen geflipte kunstenaar die bij gebrek aan ‘echt’ talent maar journalist-recensent is geworden. Ik heb in mijn werkzame schrijvertjesleven ook nooit meegedraaid in het tegenwoordig bij veel Grote Kranten toegepaste ‘job rotation’ systeem. Daarbij moet een journalist elke vijf jaar van functie veranderen om niet, al dan niet gewild, met de mensen waarover ie schrijft, ge- dan wel verbonden te raken. Zo kan hij/zij dus van het ene op het andere jaar van Economisch Expert tot Kunst(en)kenner worden gebombardeerd. Noem míj maar een kleine kunstenmaker of krantenkrabbelaar, dat past me het best.

Ik schilder zélf niet, zelfs niet onze afgebladderde schuurdeur. Ik bespeel geen muziekinstrument, zing niet in een koor, boetseer niet met klei, zaag geen figuur. Maar ik vind wél veel kunstuitingen, lang niet álle, gewoon mooi. ‘k Raak er soms ontroerd door, maar denk eigenlijk nooit van ‘dat zou ik ook wel willen. Of kunnen.’ Daarvoor ben ik dan weer te laconiek, te lui, te wispelturig.

Ik heb, schiet me al typend te binnen, begin vijftiger jaren van de vorige eeuw een blauwe zaterdag in een bandje gezongen. En daar, bij gebrek aan enig muzikaal gevoel, tijdens de zangloze nummers – en dat werden er, vreemd genoeg, steeds meer - ook de triangel gehanteerd. De naam van dat schoolbandje ben ik vergeten. Maar nu ik er over nadenk níet, dat na een paar optredens díe carrière al eindigde. Omdat ik halverwege het nummer ‘Kleine Greetje uit de polder’ - een schlager van toenmalig ‘popster’ Max van Praag - van de zenuwen mijn tekst kwijtraakte. Mijn prille verkering die stom toevallig ook Greetje heette, zat vooraan in de zaal en ik was door haar lieflijke aanwezigheid zó de kluts kwijt, dat ik ook tekstueel van slag raakte. Met die verkering is het toen niks geworden. Met zingen ook niet.