28-12-2011 - Een erg zeurstukje
Dit is écht een erg zeurstukje geworden, besef ik nadat ik dit Minikulletje nog even heb nagelezen. Daarom tik ik die constatering er alsnog zelf maar even bij, als beginzin-achteraf, voordat ú dat bij uzelf denkt. Maar deleten, naar de prullenmand doorklikken, dan? Als mijn vrouw dit leest, hóór en zíe ik haar al ‘ja’ knikken. Die is, als je heel diep in mijn binnenste kijkt: gelukkig maar, een stuk realistischer. Van Niet lullen maar poetsen. Zoiets. Kijk, dat ik lichamelijk aan het aftakelen ben, de 100 meter allang niet meer in pak ‘m beet 12 seconden loop – een tijd die ik vroeger op m’n gemakje haalde - à la. Maar dat ik soms, zoals nu, meer moeite heb dan ik gewend was om zo’n nietig verhaaltje als dit toch is, of in ieder geval moet zijn, vorm, handen en voeten te geven, dat valt me toch erg tegen van mezelf.
Wat bewonder ik zo’n Simon Carmiggelt die onder de noemer Kronkel zijn inmiddels al weer jaren vergeten stukjes schreef, of recenter, maar ook híj is al weer bijna drie jaar dood, Martin Bril. Rustig observeerden zij de ‘prooi’, mens, dier of situatie waarover ze wilden schrijven. Om daarna achter de typemachien een puikgaaf stukje te produceren. Zonder onnodige toeters en bellen. Recht op en neer, maar o zo treffend. Uit het leven gegrepen (wat alweer een oubollige constatering van me).
Vroeger ging het schrijven van een stukkie als dit me toch een stuk makkelijker af. ’t Was, net als nú – ik ben u vóór! – geen hoogdravende lectuur laat staan een literair kunstwerkje maar anders dan nu vond ik mijn onderwerpjes bij bosjes op straat liggen. Ga ik nú op een bankje hartje-winkelcentrum zitten – wat ik gisteren ter inspiratie deed – tja, dan overkomt me niks, loopt iedereen door, gaat er geen huisvrouw, vroeg-of-later gepensioneerde, zelfs geen junk of zwerver naast me zitten voor een vrijblijvend praatje waarop ik dan weer kan doorborduren. Ik had het alleen maar koud, verlangde naar een kop koffie. Kom ik ga naar huis, constateerde ik al snel, waarna ik weg sjokte.
Wat heb je dit keer lang over zo’n onnozel stukje gedaan, constateerde mijn vrouw nuchter en – daar ben ik van overtuigd – zonder ook maar enige bijbedoeling toen ik haar, na dit minikulletje te hebben getypt, met een dramatisch diepe zucht om een kop koffie – lekker na gedane arbeid – vroeg. Zie je wel.