12-10-2011 - Lieve beestjes?

Ze hebben hun naam wel mee; lieveheersbeestjes. Het heeft iets aandoenlijks. Misschien komt het door het kleine formaat van deze kevertjes en op hun dekschilden dan al die stippen waarvan het aantal varieert van 2 tot 24 (soms nog meer). Ze worden er vaak naar vernoemd; Tweestippelig- en Vierentwintigstippelig lieveheersbeestje. Dan zijn er verder nog – vaak heel klein – lieveheersbeestjes die kapoentjes worden genoemd, bijvoorbeeld het Dwergkapoentje.
Al met al komen er in Nederland maar liefst 67 soorten voor, 40 grotere en 27 mini-lieveheersbeestjes. De meest algemene is het Zevenstippelig lieveheersbeestje. Echt lief zijn ze in de praktijk niet. Op enkele planteneters na zijn het vooral vleeseters. Op hun menu staan vooral blad- en schildluizen. Vooral de larve van het lieveheersbeestje verorbert ze bij de vleet, dat is echt een hollebolle Gijs. Om die reden worden ze in de (biologische) landbouw ingezet om luizen te bestrijden. Zelf hebben lieveheersbeestjes ook natuurlijke vijanden. Natuurkenner Herman de Heer uit Enumatil vond er één en die ziet u op de foto tussen de pootjes van het lieveheersbeestje. Het zit hier als pop verpakt in een cocon waaruit later een sluipwespje komt.
Natuurlijk heeft het een naam (geen Nederlandse), namelijk de Dinocampus coccinellae. Zo’n sluipwespje kan 100 eitjes leggen. Er zijn twee generaties per jaar, dus is het theoretisch mogelijk dat uit 1 wespje 10.000 nakomelingen komen, wat in de praktijk uiteraard niet gebeurt. Bijna zonder uitzondering zijn dit vrouwtjes die zich op ongeslachtelijke wijze kunnen voortplanten; klonen dus. Af en toe worden er mannetjes voortgebracht, waarschijnlijk om de soort sterk te houden. Eenmaal uit de cocon gaat de sluipwesp direct weer op zoek naar vrouwelijke lieveheersbeestjes. Vindt zij er één (op geur) dan gebruikt ze haar legboor om een eitje onder een dekschild te leggen. Uit dat eitje komt een larve die zich via een zacht gedeelte in het lichaam vreet. Het begint daar met het opsouperen van de daar aanwezige eitjes. Het lieveheersbeestje reageert op de aanwezigheid van de larve door lichaamcellen zo te veranderen dat ze de larve gaan voeden. Zo wordt voorkomen dat het lieveheersbeestje van binnenuit leeg gegeten wordt. Immers, wanneer er vitale organen worden gegeten sterft ze en dat pakt dan verkeerd uit voor zowel het lieveheersbeestje als de larve. In werkelijkheid veroorzaken ‘domme’ larven dit soort ’ongelukjes’ slechts zelden.
Na binnen een maand vier keer te zijn verveld gebeurt er iets opmerkelijks. De larve gaat dan voor het ’uitsluipen’ op zoek naar de zenuwen van de pootjes van het lieveheersbeestje en bijt die door. Daardoor kan het lieveheersbeestje zich niet meer voortbewegen. Eenmaal uit het lichaam van de ’gastdame’ spint de larve vervolgens, tussen de pootjes, het coconnetje en verpopt zich daarin. Zo onder het lieveheersbeestje wordt het dus eigenlijk beschermd door een bodyguard. In het geval dat het nu zombieachtige lieveheersbeestje wordt benaderd door een vijand begint het in een reflex te trillen en scheidt bovendien ook nog een gelige, licht giftige stof uit en kan zelfs van kleur verschieten om de belager af te schrikken. Na ongeveer 10 dagen komt het sluipwespje uit de pop en herhaalt de cyclus zich. Over het lieveheersbeestje las ik nog ergens dat ze daarna de draad gewoon weer oppakken en verder leven, maar dat gaat er bij mij niet in. Het is toch niet aannemelijk dat een dier dat niet meer kan lopen weer een normaal leven kan gaan leiden. Verder kun je ervan uitgaan dat wellicht ook de zenuwen van de vleugels worden ’behandeld’. Daarover staat echter niets vermeld.
Met Herman had ik het nog over de overwinteringsstrategie van de sluipwesp. Die van hem zal binnenkort uitvliegen en op zoek gaan naar slachtoffers. De eitjes zullen wel weer gelegd worden en met de lieveheersbeestjes overwinteren. Pas in het voorjaar begint dan de cyclus opnieuw. Het sluipwespje gaat voor de winter dood.