29-11-2011 - Gruwelijk groot

Regelmatig worden vragen gesteld of vondsten gemeld betreffende natuurzaken waarover men meer wil weten. Vaak gaat het erom de naam van iets te achterhalen: een vogel, plant, vlinder, noem maar op. Bij het IVN zijn er nogal wat specialisten die dan meestal wel een pasklaar antwoord hebben. Zo bleek het ook vrij eenvoudig te zijn om te zeggen wat het was, toen Piet Schuthof (Statenlaan, Roden) met die gruwelijk grote larve (foto) kwam aanzetten.

Samen met buurman Fok Elsinga worden werkzaamheden voor boeren verricht in de omgeving van het Leekstermeer. Af en toe is het nodig dat houtwallen worden afgezet en dan komen de heren in het geweer. Gewapend met bijl en zaag trekken ze er dan op uit en, niet onbelangrijk, het levert nog wat op ook. Behalve dat ze lekker buiten bezig zijn, mogen ze het afgezette hout mee naar huis nemen om in hun kachels op te stoken. Tijdens hun werk komen ze regelmatig larven van insecten tegen, vooral van boktorren. Die heb je in soorten en maten, maar wat ze laatst vonden hadden ze nog nooit eerder gezien. Uitgestrekt meet de larve op de foto wel een decimeter, zo groot was zonder meer een record. Vanwege dat aspect en het feit dat de heren kunnen bogen op een jarenlange veldervaring werd stilletjes gehoopt op een nieuwe soort voor de wetenschap, dan wel dat het een uiterst zeldzame soort zou zijn. Dat bleek ’wishful thinking’, want al gauw werd de larve van een naam voorzien: de Wilgenhoutrups. Over het voorkomen in Nederland vermeldt de literatuur: ”Een heel gewone soort die verspreid over het hele land voorkomt, vaak in polderlandschappen”.

U weet dat uit rupsen vlinders komen en dan rijst de vraag waarom voor de vlinder ook de naam Wilgenhoutrups wordt gebruikt. Daarom heb ik dé vlinderkenner van IVN Roden, Minko van der Veen even gebeld. Hij vertelde dat dit wel meer gebeurt, neem bijvoorbeeld de Meriamsborstel, ook vernoemd naar de rups. Die valt qua uiterlijk veel meer op dan de vlinder. Wellicht wisten ze vroeger niet eens dat uit de Wilgenhoutrups een vlinder komt, vandaar. Overigens is de vlinder best groot met een spanwijdte van 8 cm, wat je kunt verwachten gezien de grootte van de rups. Afgezien van de grootte is de vlinder verder onopvallend met lichtgrijze en bruine kleuren, maar wel met een fraai zwart lijnenpatroon. Die rups kan er trouwens 2 tot 4 jaar over doen voordat hij zich verpopt. Minko vertelde dat dit verschil ontstaat door enkele factoren. Het hangt bijvoorbeeld af van de boomsoort, de ene is voedselrijker dan de ander en geeft meer energie waardoor de rups eerder volgroeid is. Ze komen niet strikt voor in wilgen, wat de naam wel doet vermoeden, maar je treft ze ook aan in elzen, berken, populieren, fruitbomen en zelfs in eiken. Verder wordt het larvestadium bepaald door de gemiddelde jaartemperatuur. In noordelijke streken kun je dus verwachten dat dit stadium een stuk langer duurt dan in een zuidelijke omgeving.

Vanwege de leefwijze van de rups wordt de vlinder ingedeeld bij de houtboorders. Daar zijn er niet veel van, slechts drie soorten komen voor in de Benelux. Een ervan trof ik een keer in één van de wieken van de molen (Woldzicht) van Roderwolde in de tijd dat Doornbos daar nog molenaar was. ”Dat is niet zo best”, zei ik bij die gelegenheid, maar Doornbos haalde zijn schouders op en ach, de wieken zitten er nog steeds aan. Dat was de rups van de fraaie Gestippelde houtvlinder. Beide vlinders heeft Minko met enige regelmaat tijdens inventarisaties (o.a. met de vlinderwerkgroep) aangetroffen. De derde soort draagt de bijzondere naam Rietluipaard. Deze komt niet in Nederland voor, maar wel in België in de Kempen. Op de foto ziet u dat de Wilgenhoutrups behoorlijke gangen maakt, met een doorsnede van wel 2 cm. Het was Piet Schuthof opgevallen dat er een poederachtige substantie in de gangen lag met een azijnachtige geur. Dat poederachtige laat zich gemakkelijk verklaren, want als er bij de rups van voren iets ingaat dan weet je dat er van achteren iets uitkomt. Dat van die geur klopt helemaal en staat ook zo omschreven in de boeken. Vlinders van deze soort komen op de geur af en zetten bij voorkeur hun eitjes af in de spleten van de bast van reeds zieke of dode bomen.