27-01-2009 - De dood

Begin 2009 wordt er in Roden een monument ter nagedachtenis aan de dichteres Vasalis onthuld. Tot de onthulling van de door Erick de Lyon gemaakte versregels, wordt wekelijks een gedicht van Vasalis besproken. Deze keer wordt het gedicht De dichter en de dood besproken door Martin Koster.

De dichter en de Dood

De dood

De Dood wees mij op kleine, interessante dingen:
dit is een spijker –zei de Dood – en dit een touw.
Ik zie hem aan, een kind. Hij is mijn meester
omdat ik hem bewonder en vertrouw,
de Dood.

Hij wees mij alles: dranken, pillen,
pistolen, gaskraan, steile daken,
een bad, een scheermes, een wit laken
‘zomaar’- voor als ik eens zou willen
de dood.

En voor hij ging, gaf hij me nog een klein portretje....
Ik weet niet, of je t al vergeten was,
het komt misschien nog wel te pas
voor als je eens niet meer zou willen
sterven,
maar wie let je?
zei de Dood.

Uit: Parken en woestijnen

Dichters schrijven over de dood. Of over het leven. Zij schrijven over de geliefde, als die er niet meer is. Vasalis is een dichter als alle andere. Ja ook zij schrijft over de dood. En hoe.
De dood, zo is de heldere titel van dit gedicht, verscheen in Parken en woestijnen, Vasalis eerste bundel (1940). Zij was toen 31 jaar. De Tweede Wereldoorlog was begonnen. Vasalis komt met een bundel met de tweezijdige titel Parken en woestijnen; parken als lieflijke landschappen en woestijnen als onherbergzame terreinen. Plaatsen waar je je wel of niet thuisvoelt, waar je wel of niet zou willen (ver)blijven. In het echt of in de geest. Na gedichten over drank, angst en de herfst, is De dood het vierde gedicht in de bundel.
En wat staat het er weer bedriegelijk eenvoudig in dit sombere gedicht. De Dood komt langs en wijst de ik op een spijker, een touw, dranken, pillen, pistolen, gaskraan, steile daken, een bad, een scheermes, een wit laken. Zomaar – voor als ik eens zou willen/ de dood.
De Dood is in dit gedicht geen boeman. Integendeel: hij is meester en wordt bewonderd en vertrouwd. Mooier kan je het niet krijgen. Makkelijker ook niet. De keuze om weg te gaan uit dit leven is eenvoudig te maken. Lijkt het.
Maar dan, in de laatste strofe, tovert de Dood wat anders uit zijn hoed. Hij komt met een klein portretje. Van een dierbare, mag je aannemen. Misschien heb je er iets aan, zegt de Dood, ‘als je eens niet meer zou willen/ sterven.’
En dan volgt het dodelijke ‘maar wie let je?
Hebben we het in dit gedicht over parken of woestijnen?


Martin Koster, docent Nederlands