20-01-2009 - De verstekeling

Begin 2009 wordt er in Roden een monument ter nagedachtenis aan de dichteres Vasalis onthuld. Tot de onthulling van de door Erick de Lyon gemaakte versregels, wordt wekelijks een gedicht van Vasalis besproken. Deze keer wordt het gedicht ‘De Verstekeling’ besproken door John Vorenkamp.

De verstekeling

Bij ieder schepsel dat geboren wordt
zijn reis begint, scheept in het ruim de dood
zich in. En maakt zich met het schip vertrouwd,
dringt door tot iedre vezel van het hout
de romp, de mast, de kabels en de touwen
de zeilen hurkend in de reddingsboot.

Het zijn de kleine kindren die hem kennen
en hem niet vrezen: zij zijn nog pas zo kort
geleden uitgevaren uit hun nacht
ze moeten aan het daglicht nog zo wennen.
Zoals schaduw bij het licht behoort
zo leeft de dood binnen het leven voort.

De oude kustlijn, p. 43

We lezen in dit vers een wijsheid over het leven, een bezinning op ons bestaan, een acceptatie van ons mensenleven: dat vanaf het begin van onze reis op de wereld vast staat dat daar een eind aan komt, ooit.
Klinkt niet in de tweede strofe de wens dat wij blijven als een kind, opdat wij als de kinderen de dood in ons leven aanvaarden, wetend dat dood en leven in zichzelf samenvallen, een geheel zijn, als organisch bij elkaar horen, zich met elkaar verzoend hebben, niet zonder elkaar horen. Een kind is niet bang voor dood. Als het moet speelt het dood, om dood zijn en dood gaan te begrijpen. Je gaat niet dood, je bent dood of springlevend. Klaar ben je.
Besef lezer, dat de dood als een onbekende gast, als een geheime passagier met je mee op reis gaat, je metgezel is, mee op reis gaat vanaf het begin, vanaf het moment dat je het licht ziet, vanaf het moment dat je uitvaart, het licht tegemoet, uit het donker en dat je uiteindelijk daarnaar terugkeert, aan het einde van de reis.
Vier zinnen, dit gedicht, dat het menselijk zijn samenvat, de menselijke existentie, balancerend tussen leven en dood, tussen ontwaken en sterven, tussen ontwaken en ontslapen.
De dood sluipt het leven binnen, scheept zich in, maakt zich als verstekeling onzichtbaar en hurkt zelfs, maakt zich als de zeilen klein. Wat is het beeld? Dat wij op weg gaan in ons leven, op reis, de wijk nemen, het ruime sop kiezen en de dood zich net als wij inscheept. Hij kent ons vaartuig, ons lichaam, waarmee wij uitvaren van binnen en van buiten.
De kinderen moeten aan het verblindende daglicht wennen, het licht dat het donker, de schaduw zichtbaar maakt en bang kan maken, zichtbaar maakt dat er naast het leven dood zijn is.
Zou het gedicht aan kracht gewonnen hebben als de levenswijsheid, de kernachtige spreuk, in de laatste twee versregels had ontbroken?


John Vorenkamp, docent Nederlands