23-12-2008 - Het diepste zelf

Begin 2009 wordt er in Roden een monument ter nagedachtenis aan de dichteres Vasalis onthuld. Tot de onthulling van de door Erick de Lyon gemaakte versregels, wordt wekelijks een gedicht van Vasalis besproken. Deze keer wordt het gedicht Vriend besproken door John Vorenkamp.
Vriend
Vriend, metgezel, die meer en minder is
dan vader, moeder, minnaar, kind
hetzelfde als ik, maar anders
onafhankelijk en toegewijd
ouder, jonger, van dezelfde tijd.
Trooster, die getroost kan worden
baken en verhanger van de borden
broeder, maar van andre moeder, zonder rivaliteit
met wie ik samenloop en die mij begeleidt.
Hij gunt mij om te leven en als ik dood
zou willen, geeft hij mij gelijk.
Soms is het, dat ik om hem alleen
verdragen blijf, wat zonder hem ondraaglijk scheen.
Zonder een enkele verplichting
loop ik en loop altijd in zijn richting.
De oude kustlijn, p. 11
Nogal wat gedichten van Vasalis zijn gebouwd op tegenstellingen, schijnbare tegenstellingen, uitersten die noodzakelijk bij elkaar horen, zoals licht niet zonder donker kan, zonder dood is er geen leven. Het hoofdthema van haar poëzie is dood, maar altijd in samenhang met ‘leven’.
Ook in het gedicht Vriend zien we uitersten: oud – jong, troosten – getroost worden, bakens uitzetten – bakens verzetten, begeleider – metgezel.
De kernwoorden ‘Vriend’ en ‘Trooster’ staan niet zomaar aan het begin van de eerste twee zinnen. Die moeten opvallen. Een vriend is een trooster en andersom.
De derde zin, omgeven door zes en vier versregels met eindrijm, valt door de rijmonderbreking en de inhoud op. Het is de kern van het gedicht. We lezen dat die vriend graag ziet dat ik leef, maar als ik dood wil, stemt hij ermee in. Dat is een vriend die ruimte geeft, die samen optrekt, een vriend die je van binnenuit kent, die weet wat goed voor je is en die niet eerst aan zichzelf denkt.
Vriend, trooster, Hij begrijpt mij, is als een broer zo vertrouwd, maar dan anders, want er is geen onderlinge strijd. Die trooster geeft richting aan het leven, verhanger van de borden, begeleidt de ik, is steun en toeverlaat. Hij doet ertoe, door hem is het leven te dragen, hem vertouw ik, door hem kan ik leven, van hem mag ik dood.
Wie is die vriend? Is dat de innerlijke stem? De gedroomde ik? De verlangende ik? Iemand die een grotere betekenis heeft dan de mensen om je heen. Belangrijker dan vader, moeder, minnaar en kind. Of is hij misschien het opperwezen, God, je diepste zelf, je zelfbewustzijn waar je niet zonder kunt, dat je op de been houdt? Ik ‘loop altijd in zijn richting’, want die bepaal ikzelf. Mijn eigen keuze.
Vijf zinnen, vijftien versregels, die de essentie van het bestaan beschrijven. Gepaard aan de wel bekende bescheidenheid van de dichter Vasalis maakt dat steeds weer indruk op mij. En er blijven vragen bij dit gedicht.
Het gedicht staat in de bundel De oude kustlijn. Als je deze kustlijn beschouwt als Vriend, lees je het gedicht weer totaal anders. Dat is het leuke van poëzie: het is niet of/of, maar en/en.
John Vorenkamp, docent Nederlands